Moeder
Grootmoeder
Overgrootmoeder
Betovergrootmoeder.
Moemoe, ge waard het allemaal. Gedichten voordragen als geen ander, menig paternoster al biddend versleten. Ik herinner mij een huis vol mariabeeldjes en een fluitend kanariepietje in uw keuken. Ge bewaarde uw verhalen in de rimpels van de jaren.
De koude herfstwind speelt met onze haren, de warmte van de zon streelt ons gezicht. Uit onze handen valt aarde op Moemoe haar kist, zij gooit er nog een mooi keitje uit Bretagne bij. Gearmd wandelen we, verzonken in gedachten. Ook mij geeft ze een kei, eentje met geel, oranje, bruin en grijs. "Omdat gij daar toch wel een keikop moet zijn he," glimlacht ze, "ge kunt het gebruiken als press-papier." We omhelzen elkaar - wat heb ik haar gemist. Op weg naar huis heb ik tranen in mijn ogen en de kei van Moeke in mijn hand.
In gedachten schrijf ik bij zonsopgang donkere woorden van verdriet en onzekerheid. Later vind ik in zijn blik en woorden liefde, in de wandeling langs treurwilgen ademruimte. De kei op mijn blauwe tafeltje geeft moed. Uw evenwicht kwijt zijn, simpel is anders, maar: "Kop omhoog, wat er ook gebeurt", want ook dat waarde gij, mijn Moemoe.