19 juni 2009

Onveranderlijk.


Twaalf jaar hebben we samen doorgebracht. De lagere schooljaren vechtend en spelend, jongens tegen meisjes. De eerste middelbare schooljaren roddelend wat de meisjes betreft, pestend wat de jongens aangaat, nog steeds jongens tegen meisjes. De laatste jaren leerden we echter naar elkaar luisteren, elkaar aanvaarden. We werden hechter en hechter. Ondertussen waren we mannen en vrouwen geworden, zo voelden we ons tenminste, en eindelijk hadden we samen plezier. Onze leraren spraken over ons als de vreselijkste klas ooit om les aan te geven, tegelijkertijd de leukste groep sinds jaren.
Toen het einde van ons laatste jaar naderde, werd, zoals al jaren de traditie is, een mooi boek gedrukt waarin iedereen die afstudeerde een ereplaatsje kreeg. In het kadertje naast ieders foto werd in een paar zinnen door vrienden samengevat wie jij bent. Tenminste, dat is wat ik dacht, tot de dag dat ik las wat er over mij in het boek geschreven was. Er werd geen woord gerept over mij, over mijn karakter, het ging alleen maar over mijn uiterlijk. In de laatste zin werd wel nog even snel toegevoegd dat ik slim was, anders viel het natuurlijk iéts te hard op.
Ik was verdrietig, alleen maar dàt, na al die jaren? Toch stond er eigenlijk precies wat ik verwacht had. Ik had me enkele dagen voor we het boek zouden krijgen al afgevraagd wat ze in godsnaam over mij zouden schrijven. Ik kon veel bedenken, maar tegelijkertijd wist ik dat niets daarvan in het boek zou staan. Simpelweg omdat ze daar niets van afwisten. Simpelweg omdat ik hun niet de kans had gegeven mij echt te leren kennen. Ik besefte dat hun woorden niet vertelden wie ik ben, maar wie ik al die jaren bij hun was. Het besef dat ze me zo zouden herinneren, maakte me woedend. Ik was woedend op mezelf, woedend dat ik al die jaren gefaald had in zijn wie ik ben. Ik was echter ook woedend op hem, hij die mede verantwoordelijk was voor de persoonlijke verhaaltjes. Hij kende me beter dan iedereen, beter dan ik mezelf kende. Ik begreep het niet, het kwetste me.
Later die dag sprak hij me er op aan. Hij had gezien dat ik teleurgesteld was, iedereen had het gezien. Hij vertelde me dat hij mijn stukje niet geschreven had, dat een vriendin van me dat had gedaan, en dat het inderdaad niet over mij ging. Ik vertelde hem dat het me kwetste, omdat het bevestigde hoe ik me al die jaren gevoeld heb, omdat het bevestigde dat ik er niet in geslaagd was mezelf te openen, hoe hard ik ook geprobeerd had. Tot op de dag van vandaag weet ik niet of ik zijn antwoord als een compliment of als een belediging moet opvatten. Het verwarmde mijn hart, hij kende me inderdaad beter dan wie dan ook, maar tegelijkertijd was het précies dat wat hij vertelde wat me zo ongelukkig maakte.
Hij vertelde me hoe frustrerend het voor hem is dat ik niet doorheb hoe mooi en anders ik ben, ook hoe frustrerend het is dat anderen dat niet doorhebben. Tegelijkertijd vond hij het echter mooi dat ik het niet doorheb, omdat ik het daarom niet uitbuit. Hij vertelde me dat ik bijvoorbeeld veel lees, weet en doe, maar ik daar nooit ook maar een woord over rep. Hij daarentegen praat de hele dag over de boeken die hij leest, over dat wat hij doet, hij wil al dan niet bewust laten zien hoeveel kennis hij heeft. Hij vertelde me dat ik juist altijd mezelf ben, maar dat niet besef. Hij vertelde me dat ik ongelofelijk veel geef aan anderen. Zonder dat zij dat beseffen. Zonder dat ik dat zelf besef. Zonder dat ik besef dat ik eigenlijk veel meer geef dan ik krijg, en dat ik helemaal niet erg lijk te vinden. Hoe mooi dat wel niet is. Hij vertelde me dat hij niemand anders kent die is zoals ik ben. Zo anders, zo mysterieus. Alsof je als het ware echt naar mij op zoek moet gaan om te ontdekken wie ik ben, om te weten wat ik allemaal onbewust verborgen houd. Hij vertelde me dat hij daarom zo veel van mij houdt.
Ik herinner me dat ik het heel fijn vond te luisteren naar wat hij vertelde. Ik herinner me dat ik nog nooit op die manier over mezelf had nagedacht. Hij hielp me beseffen wie ik ben, nog meer hielp hij me aanvaarden wie ik ben. Ik herinner me dat ik van hem hield. Ik herinner me echter ook dat ik het tegelijkertijd heel moeilijk vond te luisteren naar wat hij vertelde. Geef ik inderdaad meer dan ik krijg, meer dan ik terug verwacht? Is dat wel zo mooi? Laat ik me dan niet door anderen doen? Ik wil open zijn, maar wat als ik inderdaad echt zo gesloten en mysterieus ben? Wie wil er in hemelsnaam op zoek gaan naar mij?
Het is inmiddels twee jaar later. Ik weet niet of er iets anders dan toen zal uitkomen als er nu over mij geschreven zou worden, door oude of nieuwe vrienden. Ik denk van niet. Ik ben nog steeds gesloten, zelfs geslotener. Ik ben nog steeds meer luisterend dan pratend, meer gevend dan krijgend.
Ik vind het moeilijk van mezelf te houden. Ik vind het moeilijk te beseffen dat ik mezelf moet aanvaarden voordat ik mezelf kan veranderen. Ik weet niet eens of ik mezelf nog wel wil veranderen. Ik vind het moeilijk mezelf te moeten vertellen dat ik mooi ben. Hij vertelde me dat vroeger en ik geloofde hem, al dan niet terecht, maar dat doet er niet toe. Ik mis hem. Zij vertelde me dat ook, jarenlang. Zij is de enige die net zoals hij op zoek naar mij is gegaan. Zij vertelt me nu nog steeds dat ik mooi ben. Zij beseft zelf niet eens hoe mooi ze is. Ik mis haar.
Niet wetende wie ik ben, mis ik mezelf.

2 opmerkingen:

  1. Heb je ook dat je gewoon écht niet weet wanneer je jezelf bent? Dat je altijd het gevoel hebt dat je je aanpast aan anderen en daarbij jezelf vergeet? Daar kun je toch ook geen genoegen mee nemen? Stom genoeg weet ik wel bijna zeker dat 'ze' je er niet op aan kijken. Maar dan nog. (hmp, snap je?)

    BeantwoordenVerwijderen